7 Tips voor beginnende bouwkundestudenten

Bouwkunde wordt over het algemeen gezien als een drukke studie waarin theorie en praktijk elkaar afwisselen. Bij het maken van een gebouw komen dan ook veel disciplines en vaardigheden kijken en met name een architect moet van vele zaken op de hoogte zijn. Specialisten zullen de verschillende onderdelen in detail uitwerken, maar een architect moet begrijpen waar deze specialisten mee bezig zijn, zodat hij of zij daarover met hen kan praten en er rekening mee kan houden in het ontwerp. Daarom is een studie bouwkunde vooral breed georiënteerd en kent deze vele facetten. Om je niet onder te laten sneeuwen in het vele werk en de vele informatie, volgen hier de beste zeven tips voor de beginnende bouwkundestudent:

Tip 1. Zie de studie als één geheel van op elkaar afgestemde vakken

Het curriculum van bouwkunde aan de TU Delft is opgebouwd uit theorievakken, vaardigheden en ontwerpen. De theorie en vaardigheden komen in het eerste deel van het semester aan de orde en zijn nadrukkelijk afgestemd op de ontwerpopdracht van de tweede helft van het semester. Probeer hier je voordeel mee te doen en probeer je in te denken waarvoor de theorie in de praktijk kan dienen. Meestal zal de docent in de colleges voorbeelden geven van concrete toepassingen. Zo niet, probeer deze dan zelf of in samenwerking met medestudenten te bedenken, zodat je weet waar je je kennis kan toepassen wanneer je aan de slag gaat met je ontwerp. Onderschat niet het belang van de vaardigheden en kennis die je bij al deze vakken opdoet en probeer dus ook deze te halen, want het zal de ontwerpopdracht makkelijker maken.

Tip 2. Begin op tijd aan je opdrachten

Zoals gezegd is bouwkunde een drukke studie waarin alle vakken nauw op elkaar afgestemd zijn. Als je een opdracht te laat of niet af hebt, betekent dat niet alleen dat je je studiepunten misloopt, maar ook dat je belangrijke kennis of vaardigheden mist voor het vervolg. Als je het vak of de opdracht dan later nog moet afmaken, kom je weer tijd tekort voor de volgende opdracht. Probeer deze stress te voorkomen en je tijd goed te plannen, zodat je weet wanneer wat af moet.

Tip 3. Werk samen met medestudenten

Probeer samen te werken en te sparren met medestudenten waar dat kan en deel je informatie. Sommige opdrachten lenen zich voor samenwerking. Wanneer je docent dit aanraadt, zou ik dit ook zeker doen. Probeer bijvoorbeeld allemaal een deel van de informatie te verzamelen die voor de opdracht nodig is en deel deze informatie met elkaar. Zorg wél dat je de informatie van elkaar begrijpt. Bij ontwerpen is het belangrijk dat je regelmatig discussieert met andere mensen. Dit moet sowieso wekelijks met je docent, maar het is nuttig om dit ook met medestudenten te doen. Het kan je verder helpen en je dingen doen inzien die je zelf nog niet bedacht had. Je kunt bijvoorbeeld met één of meerdere collega-studenten afspreken om één keer per dag een half uurtje bij elkaar te gaan zitten en je ontwerp of deelprobleem uit te leggen en elkaar vragen te stellen. Zie dit niet als een gelegenheid om elkaar kritiek te geven, maar om elkaar verder te helpen. Laat duidelijk zien waar je zelf achter staat, maar ook zeker waar je nog tegenaan loopt.

Tip 4. Teken! (Liefst met pen en papier)

Niets is zo nuttig als het verbeelden van je ideeën. Dingen die in je hoofd lijken te kloppen, kunnen er ineens heel anders uitzien als je ze op papier zet. Teken je ideeën op verschillende detailniveaus, kijk ernaar van een afstandje (figuurlijk) en probeer knelpunten te identificeren en op te lossen. De computer kan hierbij een goed hulpmiddel zijn, maar heeft als valkuil dat het trager gaat en dat je vaak te gedetailleerd werkt, wat de creativiteit niet ten goede komt. Werk daarom bij voorkeur, zeker in het begin, met pen en papier en wees er niet te zuinig mee. Een schetsrol is goed om mee te werken, omdat deze qua formaat minder beperkend is en semitransparant is. Je kunt dan nog één en ander versterken om de essentie weer te geven of juist in dezelfde plattegrond verschillende lagen met verschillende informatie aanbrengen. (Denk bijvoorbeeld aan functies, technische voorzieningen en klimaateisen.) Wil je toch gebruik maken van een computer, kies dan voor een programma als SketchUp waarin je intuïtief en ontwerpend kan tekenen. Een programma als AutoCAD of Revit is meer geschikt voor de gedetailleerde uitwerking.

Tip 5. Wees niet bang om fouten te maken

Fouten zijn er om van te leren. Als je dingen schetst en vervolgens laat zien aan je medestudent of je docent, kan deze de kritieke punten eruit halen. Als je niets tekent omdat je bang bent dat het fout is, is er ook niets om over te praten en kun je ook niet verder. Bovendien kom je er vaak pas achter hoe iets wél moet als je het eerst fout hebt getekend.

Tip 6. Probeer kritiek altijd positief te zien

Bij de wekelijkse begeleidingsmomenten zal je docent je vaak wijzen op dingen die niet goed zijn. Niet alle docenten zijn daar even tactisch in. Probeer de kritiek niet persoonlijk op te nemen, maar zie het als een kans om je ontwerp verder te brengen. Dit kan heel lastig zijn, aangezien je vaak heel erg hard hebt gewerkt om er vervolgens achter te komen dat je docent het niks vindt. Probeer je docent dan te zien als een opdrachtgever en probeer erachter te komen waarom hij niet tevreden is, en wat er veranderd kan worden zodat hij wél met het ontwerp akkoord gaat. Dit is vaak het lastigste aspect van ontwerpen, aangezien hierin ook vaak persoonlijke voorkeuren meespelen, waar niemand helemaal los van kan komen – ook je docent niet.

Tip 7. Last but not least: Have fun!

Uiteindelijk is het veelzijdige karakter van een bouwopgave juist ook datgene wat het interessant maakt. Probeer het te zien als een puzzel en laat je fantasie de vrije loop!


Merk je dat je achter begint te lopen? Of zijn er vakken die je niet onder de knie krijgt? Wacht dan niet te lang en kom kennismaken bij Studiemeesters om te ontdekken hoe jij studiebegeleiding in kunt zetten voor betere studieresultaten.

Meld je aan voor een kennismaking

ARCHIEF