Vijf (onjuiste!) aannames over casestudyonderzoek

Een wetenschappelijke discipline zonder een grote hoeveelheid grondig uitgevoerde casestudies is een discipline zonder systematische productie van voorbeelden, en een discipline zonder voorbeelden is een ineffectieve discipline. (Inzicht van Kuhn, vertaald uit Flyvbjerg 2006: 219, 242)

Wanneer je met je scriptieonderzoek bezig bent is het heel irritant om te horen dat je het niet goed doet, dat je het beter anders kunt doen (of erger nog: ‘Je hád het beter anders kunnen doen’) want ‘op deze manier heb je er niets aan’, of ‘dit is niet wetenschappelijk’. Als casestudyonderzoeker loop je hier zeker en vast tegenaan. Vaak hebben die opmerkingen ook effect: je bent niet meer zeker van je zaak en gaat twijfelen aan de waarde van je onderzoek. ‘Heeft het überhaupt nog zin om dit onderzoek te doen?’ Het antwoord is waarschijnlijk ‘Ja!’, want ga er maar van uit dat die opmerkingen gebaseerd zijn op verkeerde aannames over wat wetenschap is, en wat casestudyonderzoek inhoudt. Flyvbjerg (2006) bespreekt en weerlegt vijf hardnekkige misvattingen. Hieronder licht ik toe wat Flyvbjerg stelt.

Aanname 1: Algemene theoretische kennis is waardevoller dan context-gebonden kennis

Er wordt vaak gedacht, gezegd, geschreven en onderwezen(!) dat algemene theoretische kennis waardevoller is dan concrete, praktische, context-gebonden kennis. Flyvbjerg ontkracht deze aanname met een verkenning van de rol die ‘de case’ – met zijn context-gebonden informatie – speelt binnen het veld waar de sociale wetenschappen zich mee bezighouden: menselijk gedrag. Om het belang van context-gebonden informatie te illustreren wijst Flyvbjerg op de manier waarop ‘experts’ en ‘virtuozen’ zich ontwikkelen. Hun expertise wordt stukje bij beetje opgebouwd door het opeenstapelen van afzonderlijke ervaringen in uiteenlopende contexten: vergelijk bijvoorbeeld de hartchirurg die 10 operaties heeft gedaan met de chirurg die er meer dan 200 heeft verricht, in verschillende ziekenhuizen, en op verschillende patiënten; of de eerstejaarsstudent die op pagina 1 van een studieboek begint te lezen met de laatstejaarsstudent die weet (of denkt te weten) welke colleges wel en niet belangrijk zijn en hoe je je het beste kunt voorbereiden op dat ene meerkeuzetentamen.
Als de sociale wetenschap beoogt het ‘hoe’ en ‘waarom’ van menselijk gedrag te begrijpen, is inzicht in context-gebonden cases cruciaal. Het is immers op basis van de interpretatie van die context dat mensen (al dan niet bewust) beslissingen nemen. De zoektocht naar overstijgende algemene theorie is er dan een die niet in dienst staat van de sociale wetenschap; context is belangrijk. Flyvbjerg herschrijft de eerste aanname als volgt:

Voorspellende theorieën en universele regels bestaan niet in onderzoek naar menselijk handelen. Concrete, context-gebonden kennis is daarom waardevoller dan de bij voorbaat gedoemde zoektocht naar voorspellende theorie en universele regels. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 224)

Aanname 2: Je kunt niet generaliseren op basis van onderzoek naar één case

Volgens Flyvbjerg gaan er twee dingen mis bij deze aanname. Ten eerste schuilt hier het idee dat generaliseren de enige wetenschappelijke weg voorwaarts is terwijl deze methode een van de vele manieren is waarop de wetenschap zich ontwikkelt; casestudyonderzoek is een andere methode. Ten tweede is het wel mogelijk om op basis van één case te generaliseren. Vooral die tweede veronderstelling verdient aandacht. Flyvbjerg (2006: 225) bespreekt twee voorbeelden uit de natuurkunde. Het eerste gaat over Galilei. Op basis van Aristoteles’ theorie (hoe zwaarder een object, hoe sneller het valt), ‘testte’ Galilei de hypothese dat twee identieke aan elkaar gekoppelde objecten twee keer zo snel zouden moeten vallen als wanneer de twee objecten los van elkaar zouden vallen. Galilei’s gedachte-experiment met de logische conclusie (namelijk ‘dat slaat nergens op’) is te beschouwen als testcase waarmee de theorie van Aristoteles werd gefalsificeerd. Flyvbjerg:

Falsificatie is een van de meest rigoureuze testen waaraan een wetenschappelijke vooronderstelling kan worden onderworpen: Als de vooronderstelling in slechts een enkel geval niet klopt, moet het als onwaar worden beschouwd en worden herzien of verworpen. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 228)

De tweede case is het experiment waarbij in een vacuüm gelijktijdig een loden kogel en een veertje losgelaten worden. De twee objecten vallen even snel. Uit dit ene experiment volgt dat het gewicht van objecten niet van invloed is op de valsnelheid van die objecten. Dit is theorieontwikkeling. Bij dit tweede voorbeeld benadrukt Flyvbjerg het belang van de selectie van een loden kogel en een veertje. Door dit soort ‘extreme’ of ‘kritische’ cases te selecteren is het ook voor sociale wetenschappers mogelijk om hypothesen te falsificeren. En om theorie te ontwikkelen. Denk aan jurisprudentie: dit is recht op basis van individuele cases. Soms komt zo’n case toevallig bij een rechter, maar soms wordt zo ook actief naar jurisprudentie gezocht. Wanneer je sociaalwetenschappelijk onderzoek gaat doen en algemene hypothesen vindt, kun je dus zoeken naar een case waarbinnen die hypothese het minst of juist het meest waarschijnlijk is. Als je onderzoek erop wijst dat de hypothese niet opgaat voor die case, dan moet de hypothese worden verworpen of aangepast. Dus schrijft Flyvbjerg:

Je kunt vaak generaliseren op basis van een enkele casus, en via die generalisatie kan de casestudy cruciaal zijn voor wetenschappelijke ontwikkeling en dienen als vervanging of alternatief voor andere methoden. Maar formele generalisatie wordt overschat als bron van wetenschappelijke ontwikkeling, terwijl ‘de kracht van het voorbeeld’ wordt onderschat. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 228)

Aanname 3: Casestudyonderzoek test geen hypothesen en ontwikkelt geen theorie

Omdat de derde aanname samenvalt met de tweede en zojuist in de bespreking is meegenomen, is het nu ook mogelijk om de derde aanname aan te passen. Flyvbjerg schrijft:

De casestudy is bruikbaar voor generaliseren en voor het testen van hypothesen, maar is niet beperkt tot enkel deze onderzoeksactiviteiten. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 229)

Aanname 4: De casestudyonderzoeker heeft een bias naar theoriebevestiging

De vierde aanname is dat de onderzoeker die gebruik maakt van casestudyonderzoek geneigd is theorieën te bevestigen. Het idee is dat de onderzoeker niet blanco het veld in gaat en daarmee onbewust op zoek zal gaan naar data die aansluiten bij de vooraf geformuleerde verwachtingen. Flyvbjerg schrijft hierover:

Het vraagstuk over subjectiviteit en een bias naar bevestiging geldt voor alle methoden, niet alleen voor casestudyonderzoek en andere kwalitatieve methoden. Het element van arbitrair subjectivisme speelt bijvoorbeeld een significante rol bij de keuze voor categorieën en variabelen in kwantitatief of structureel onderzoek, zoals een gestructureerde questionnaire die over een grote steekproef van cases wordt gebruikt. En de kans is groot dat (a) dit subjectivisme overleeft zonder grondig te worden gecorrigeerd gedurende het onderzoek en (b) het de onderzoeksresultaten kan beïnvloeden simpelweg omdat de kwantitatieve/structurele onderzoeker vergeleken met een casestudyonderzoeker niet zo nauw betrokken is bij de respondenten, waardoor het minder voor de hand ligt dat de kwantitatieve/structurele onderzoeker gecorrigeerd wordt door ‘terugpratende’ onderzoeksobjecten. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 235-236)

Oftewel: elk onderzoek kan worden verknald! Om het risico hiervan te minimaliseren is het belangrijk om maatregelen te treffen. Die maatregelen verschillen per instrument.
Verder benadrukt Flyvbjerg dat er in de wetenschapsgeschiedenis voornamelijk voorbeelden van casestudyonderzoek zijn waarbij de bias gericht is op falsificatie en niet op verificatie. Flyvbjerg haalt onderzoek van onder meer Campbell, Geertz en zichzelf aan als voorbeelden waarin de verzamelde data de onderzoeker dwongen hypothesen juist te herzien (Flyvbjerg 2006: 235). Flyvbjerg herformuleert de vierde aanname dan als volgt:

De casestudy heeft geen grotere bias naar bevestiging van de vooronderstellingen van de onderzoeker dan andere onderzoeksmethoden. Integendeel, het is zelfs zo dat de ervaring leert dat de casestudy een grotere bias heeft naar falsificatie van vooronderstellingen dan naar bevestiging. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 237)

Aanname 5: Cases samenvatten kan niet, laat staan het formuleren van theorieën

De laatste aanname die Flyvbjerg bespreekt is de aanname dat cases zó context-specifiek zijn dat het onmogelijk is ze samen te vatten en dat je daarom met caseonderzoek nooit algemene theorieën kunt ontwikkelen. Flyvbjerg legt uit dat die moeilijkheid om cases samen te vatten los staat van de casestudy als methodiek maar verbonden is met de onderzoekspraktijk van de sociale wetenschappen: die is complex. De samenvatting ontneemt de case haar intrinsieke waarde die ligt in die complexiteit. Dus is het samenvatten van cases niet alleen lastig: het is vooral onwenselijk. Flyvbjerg ziet de moeilijkheid van het samenvatten daarom niet als bewijs tegen goed diepgravend casestudyonderzoek met context-specifieke problematiek. Het tegenovergestelde van samenvatten is dus belangrijk: het openbreken, het ontsluiten van de case. Volgens Flyvbjerg betekent dit dat een goede casebeschrijving alle lezers in staat stelt te bepalen wat ‘het verhaal’ van de case is: “What is this case a case of?” (Flyvbjerg 2006: 238).

Het klopt dat het samenvatten van casestudies vaak lastig is, vooral als het gaat om casusontwikkeling. Dit geldt veel minder voor de uitkomsten van cases. Het probleem met het samenvatten van cases heeft overigens meestal meer te maken met de karakteristieken van de onderzochte werkelijkheid dan met de casestudy als onderzoeksmethodiek. Het is [daarom] vaak niet wenselijk om casestudies samen te vatten en te generaliseren. Goed casestudyonderzoek zou gelezen moeten worden als een verhaal in zijn totaliteit. (Vertaald uit Flyvbjerg 2006: 241)

Slot

Het idee dat casestudyonderzoek niet kan bijdragen aan wetenschappelijke ontwikkeling is onjuist. Voor casestudyonderzoekers is het belangrijk om dit te snappen. Niet zozeer om de discussie aan te gaan (hoewel je dat nu ook zou kunnen), maar vooral om je onderzoek goed op te zetten, goed uit te voeren en de resultaten goed op papier te krijgen. Laat je niet uit het veld(werk) slaan! Onderzoekers die gebruik maken van casestudies moeten nu eenmaal veel uitleggen aan mensen die nog traditioneler over wetenschap denken. Hoe dan ook, casestudyonderzoek is gewoon wetenschappelijk onderzoek, waarbinnen onderzoekers zich mogen laten verrassen door de realiteit die ze onderzoeken. En net als al het andere onderzoek moet casestudyonderzoek goed worden voorbereid. Heb je ergens hulp bij nodig? Kom dan gerust langs of neem met ons contact op.

Verwijzingen:
Flyvbjerg, B., (2006). Five Misunderstandings about Case-Study Research (April 1, 2006). Qualitative Inquiry, vol. 12, no. 2, pp. 219-245.


Wil je op de juiste wijze onderzoek uitvoeren? Studiemeesters helpt studenten vooruit. Met onze begeleiding studeer je sneller, beter en relaxter. Wie wij zijn en wat we precies doen? Dat lees je hier.

ARCHIEF